U bevindt zich hier: Home Het Museum Tentoonstellingen-archief 2015-2020

2015-2020

Theo Thijssen groeide op in de Jordaan en Oud-West, maar in de tweede helft van zijn leven (1912-1943) woonde hij in Amsterdam-Oost: lang in de Transvaalbuurt, kort in de Watergraafsmeer. Al sinds 1902 werkte hij als onderwijzer in de Oosterparkbuurt, tot 1921. En in 1943 werd hij begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Wat betekende Oost voor hem? Hoe zagen zijn woningen er uit? Wie waren zijn buren en hoe ging hij met ze om? Met welke bekende buurtgenoten had hij contact? Hoe liep hij van huis naar school? Waar wandelde hij met zijn leerlingen? Welke kapper knipte zijn walrussnor? En wat schreef hij over zijn buurt? Daarover gaat deze tentoonstelling in het Theo Thijssen Museum.

Theo Thijssen was vanaf 1899 onderwijzer op scholen in Amsterdam-Oost, het langst op Openbare Lagere School No. 104 aan de rand van het Oosterpark.  Sinds 1909 woonde hij kort in de Pretoriusstraat en lang (1913-1937) aan de rand van het Pretoriusplein (nu Steve Bikoplein), daarna tot zijn dood in 1943 op de Hogeweg en Bredeweg in de Watergraafsmeer. Maar in de expositie en begeleidende brochure passeren veel meer plekken in Oost. Zoals Artis, het Oosterpark en de Ringdijk, waar hij met zijn leerlingen wandelde. En de twee Ajax-stadions langs de Middenweg!

Onderdeel van de tentoonstelling is ook een gefilmd interview met Rachel Polak-de Jong (105!). Opgegroeid op het Transvaalplein, en weduwe van Jaap Polak, die bij meester Thijssen in de klas zat en ook na de lagere school nauw contact met hem hield. Deze korte film is gemaakt door Mirjam Vogt en Peter-Paul de Baar.

De scholen van Theo Thijssen

Op de allereerste na, stonden alle scholen waar Thijssen lesgaf ten oosten van de Amstel. Nadat hij in mei 1898 met zijn Haarlemse kweekschooldiploma op zak in Amsterdam was teruggekeerd, kreeg hij (sinds kort wonend in OudWest) in juli 1898 een tijdelijke baan op de Van Oldenbarneveldtkade (nu -plein). Daarna gaf hij les op scholen op de Mauritskade en aan het Hortusplantsoen, tot hij in 1902 werd aangesteld bij Openbare Lagere School No. 104 in de Tweede Boerhaavestraat 80, hoek Oosterpark. De scholen waren tot 1920 naar stand verdeeld. Voor de armsten waren er de ‘kosteloze scholen’ alias ‘nummerscholen’, voor middenstandskinderen de ‘letterscholen’ (bescheiden schoolgeld) en voor de elite de ‘naamscholen’ (hoog schoolgeld). Op Openbare Lagere School Lr. W, aan het Hortusplantsoen, werkte Thijssen niet lang, maar belangrijke jaren waren het wel. Waarschijnlijk in 1899 werd hij als 21-jarige lid van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers, in 1901 werd hij medewerker Jan Ligtharts blad School en Leven. Op school raakte hij bevriend met collega Johanna Maria (Jo) Zeegerman, handwerkonderwijzeres, die hem mede-lid maakte van de Amsterdamsche Onderwijzers Tooneelvereeniging (AOT). In 1906 trouwden ze – maar drie jaar later al was Jo dood. Met zijn tweede vrouw verhuisde Thijssen naar Oost. Een mede-AOT-acteur was Jan Soederhuijzen. Hij zal Thijssen in 1902 hebben geattendeerd op de vacature bij Openbare Lagere School No. 104. Daar bleef hij tot 1921, toen hij bezoldigd bestuurder werd van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers. Tot 1921 werkte Theo Thijssen op ‘nummerschool’ (dus armenschool) 104, aan de rand van het Oosterpark. Die is ook duidelijk het decor van Thijssen romans Schoolland en De gelukkige klas. Halverwege die tijd verhuisde Thijssen vanuit (Oud-)West naar de Transvaalbuurt in Oost.

Transvaalbuurt

Met zijn Jo Zeegerman woonde Thijssen in de De Clercqstraat, vlak bij de Jordaan van zijn jeugd. Met zijn tweede vrouw Geertje Dade verhuisde hij in 1909 naar de Transvaalbuurt in Oost: tot 1913 Pretoriusstraat 44, sinds 1913 Laing’s Nekstraat 34. Dat laatste huis stond op de hoek van het Pretoriusplein, dat sinds 1978 Steve Bikoplein heet. Het hele blok was gebouwd in opdracht van de Amsterdamsche Coöperatieve Onderwijzers-Bouwvereeniging, waarvan Thijssens bestuurder werd. Ook Thijssens zus Saar en zijn jongste broer Jan woonden in de Transvaalbuurt. Naaste buren waren Jan Soederhuijzen en Jan van Dijke, medeleden van de onderwijzersbond. Met hen, broer Jan en tijdelijk ook onderwijzer/journalist/ literator A.M. de Jong had Thijssen wekelijkse kaartavondjes. Soederhuijzen was bovendien collega op school No. 104; samen schreven ze rekenboekjes. Meer dan de helft van de Transvaalbuurtbevolking was joods, Het waren veelal grote gezinnen, weggetrokken uit de overbevolkte en verkrotte oude Jodenhoek rond het Waterlooplein. Grote kwestie in de buurt was de gelijkvloerse spoorwegovergang in de Linnaeusstraat. Thijssen wijdde er een column aan. Dankzij wethouder Monne de Miranda, oud-Pretoriusstrater, kwam daar in 1937 een spoorviaduct.

Niet zonder reden is Theo Thijssen weleens (in modern jargon) een ‘mannen-man’ genoemd. En jazeker, vooral als jongeman voelde hij zich zeer thuis in de masculiene wereld van stoerheid en kameraadschap. Hoe dan ook waren vele vrouwen belangrijk voor hem: geliefd en minder geliefd, en in vele rollen. Moeders, echtgenotes, zussen, grootmoeders, tantes, zussen, dochter en schoondochters, winkeliersters, dienstbodes, schoolmeisjes, onderwijzeressen, jeugdboekenschrijfsters en andere ‘dames’.

Theo Thijssen (1879-1943) leefde in een tijd waarin mannen en vrouwen hun eigen, vaak strikt gescheiden rollen speelden. Hij groeide op in een Jordaans middenstandsgezin waarvan de vader een schoenmakerij dreef, tot zich in 1890 een ramp voltrok. Toen Theo elf jaar oud was overleed vader Sam Thijssen aan tuberculose. Moeder Alida Thijssen-Fieggen bleef achter met vijf kinderen en een zieltogende winkel.

In zijn jeugdherinneringen In de ochtend van het leven ruimde Thijssen een hoofdrol in voor zijn moeder, die er als winkelierster met bovenmenselijke inspanning in slaagde ‘haar span’ fatsoenlijk groot te brengen. Vol gevoel blikte hij als zestigjarige terug op wat zij voor haar kinderen had betekend: ‘Wat 'n moeder hebben wij gehad; wat 'n moeder!’ De jongenswereld waarin de kleine Theo zich bewoog zou hij later beschrijven in boeken als Jongensdagen en Het taaie ongerief, en natuurlijk in zijn bekendste werk: Kees de Jongen. Die boeken laten ook iets zien van de omgang tussen jongens en meisjes in de jaren voor 1900. De zwembadpas waarmee Kees en zijn vrienden door de stad vliegen, was uiteraard alleen aan hen voorbehouden en meisjes zijn allemachtig vreemde wezens. En toch… de gevoelens die Kees Bakels voor zijn klasgenote Rosa Overbeek ontwikkelt, leiden in Kees de jongen tot een eerste zoen zoals er sindsdien maar weinig beschreven zijn. Behalve schrijver van onvergetelijk proza, was Thijssen bovenal onderwijzer. In de ‘onderwijzersromans’ Barend Wels, Schoolland en De gelukkige klas laat Thijssen zien hoe maatschappelijke verwachtingspatronen ten aanzien van jongens en meisjes doorwerken in het onderwijs.

Behalve met de meisjes in zijn klas kreeg schoolmeester Thijssen te maken met vrouwelijke collega’s. Zijn eerste echtgenote was er een, en de vrouw met wie hij na haar overlijden hertrouwde. Hun maar al te begrijpelijke wens dat hun knappe man ‘hogerop’ zou komen, botste nogal eens met zijn pedagogische idealen. Ondertussen had de nuchtere pedagoog Thijssen weinig op met in zijn ogen wereldvreemde onderwijshervormsters en de moralistische schrijfsters van kinderboeken. In zijn afrekeningen met deze ‘modedotten’ kwam hij buitengewoon giftig uit de hoek komen. Maar in lijn met zijn onderwijzersbond en Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP; voorloper PvdA) verzette hij zich in de jaren ’30 vurig tegen het ontslag van huwende of al gehuwde onderwijzeressen . --

Moeder [Ill.; hogere resolautie op Picasa:] Het gezin Thijssen in 1916, met v.l.n.r. Theo, zonen Joop, Henk en Theo jr. vrouw Geertje Thijssen-Dade, dochter Geertje en inwonende moeder Alida Thijssen-Fieggen. In de tentoonstelling krijgt Thijssens moeder prominent de aandacht. Hij vereerde haar - hoe driftig ze ook kon zijn als de kinderen haar lastig vielen tijdens het ellendige doen van de was. Alida (‘Aal’) Fieggen (1858-1937), dochter van een timmerman in de Vinkenstraat, trouwde in 1878 met schoenmaker Samuel (‘Sam’) Thijssen. Ze gingen wonen in de Eerste Leliedwarsstraat en kregen zes kinderen, waarvan er één al na anderhalf jaar stierf. Nadat haar Sam in december 1890 aan tbc overleed begon zij een kruidenierszaak aan de Brouwersgracht. Daarnaast wist zij haar vijftal groot te brengen en een opleiding te laten volgen zonder dat het eeuwige geldgebrek zichtbaar was voor de buitenwacht. Toen de kinderen gingen verdienen, werd de winkel opgedoekt en verhuisde het gezin naar gloednieuwe bovenwoningen in (Oud-)West.. Na zijn tweede huwelijk, in 1912, nam Theo Thijssen zijn moeder bij zich in huis, in de Transvaalbuurt. “Als een leeuwin troonde zij achter het raam,” herinnerde zich een buurjongen. De moederfiguren in Thijssens boeken Kees de jongen, Jongensdagen en Het taaie ongerief zijn duidelijk naar haar gemodelleerd.

Twee vrouwen - of drie [Ill. Theo Thijssen Katwijk:] Theo Thijssen (zittend rechts) in 1919 op het Katwijkse strand met zijn vrouw Geertje (rechter strandstoel) en hun buren, het echtpaar Soederhuijsen (tent en linker strandstoel).
Theo Thijssen trouwde twee keer. Eerst (1906) met Jo Zeegerman, een paar jaar als handwerkonderwijzeres zijn collega op een school aan het Hortusplantsoen en daarna mede-lid van de Amsterdamsche Onderwijzers-Tooneelvereeniging. Helaas overleed zij al een paar maanden na de geboorte van Theo jr In 1909 hertrouwde hij met haar vriendin/collega-handwerkonderwijzeres Geertje Dade, die zich over de jonge weduwnaar en zijn baby had ontfermd. Zij baarde hem drie kinderen en overleefde hem tien jaar. Maar nog een derde vrouw beroerde zijn hart hevig: Marie Soederhuijzen-van Os. Thijssens buurvrouw in Oost en getrouwd met vriend Jan Soederhuijzen, collega-onderwijzer op de school tegenovet het Oosterpark waar hij tot 1921 les gaf. Anders dan Geertje deelde zij zijn belangstellingen. Maar scheiden was voor geen van beiden een optie…

Rosa Overbeek [Ill. :] Rosa kust Kees. ‘Fijnerd! Lieverd!” Tekening van Dick Matena.
En dan is er die onvergetelijke (fictieve) geliefde uit zijn jongensdagen: Rosa Overbeek! Begeerd door Thijssens alter ego Kees Bakels in Kees de jongen. Een jonge godin, met “eeuwig mooi haar”. “Kees merkte dat deze Rosa van de eerste dag af op hem lette. Zij ging met de andere meisjes niet om; natuurlijk niet, vond Kees. Zij verwonderde zich in stilte, zo dacht-ie, dat hij zich nog wel met de jongens bemoeide. Hij zou dit ook niet meer zo doen. Hij zou als 'n eenzame wijze denker z'n weg gaan. Als-ie 's avonds in z'n bed lag, dan dacht-ie daar zeer diep over na. Rosa Overbeek en hij, twee hoge geesten, die neer¬keken op al de anderen. Zoiets moest het zijn. Maar het was een beetje lastig het uit te voeren.” Na schooltijd loopt hij een keertje stiekem achter haar aan om te zien waar ze woont. De Reestraat! “ “Langzaam kwam-ie de brug over; recht voor hem uit, daar ging ze. Ze stapte schuin op een winkel af; ging misschien kijken naar de uitstalling? Nee, ze belde aan. Daar woonde ze dus, boven die winkel. Verrek, dat was die winkel waar-ie toen had staan kijken, waar ze die kleine chocoladelettertjes van vijf cent verkochten. Oók eventjes toevallig? Hij liep nog wat langzamer en bleef toen maar staan voor de uitstalkast van een boekenwinkeltje. Zij stond half tegen d’r trapdeur geleund, klaar om naar binnen te stappen; en ze keek onverschillig naar de voorbijgangers. Kees, voor het boekwinkeltje, loerde schuins. En plotseling bemerkte hij dat haar blik op hem viel; ze zag hem, en ze knikte hem doodgewoon toe! Hij was er even van in de war; toen maakte hij een voorzichtige groetbeweging met z’n hand... en meteen was ze verdwenen. Hij hoorde de klap van de deur die zij achter zich dicht sloeg. Hij was ontroerd.”

Winkeliersters, dienstbodes en werksters
Twee categorieën werkende vrouwen ontmoette Theo Thijssen veel in zijn Jordanese jeugd: winkeliersters en dienstbodes. Zijn moeder begon als dienstbode, stond daarna vaak achter de toonbank in de schoenmakerij van haar man en dreef vervolgens een eigen kruidenierszaak. Twee van Thijssens tantes hadden ook een winkeltje. En in de buurt waren vele andere winkeliersters/ Onder hen veel weduwen met kinderen: pensioen bestond nog niet, dus moesten ze wel blijven werken en in een winkelhuis konden ze dan ook nog een beetje op de kinderen letten. Theo’s tante Get was levenslang dienstbode. Omdat zonder wasmachines, stofzuigers en koelkasten het huishouden nog een gigantische klus was, was er aan dienstpersoneel een grote behoefte. Thijssens ouders konden zich geen dienstbode permitteren, maar wel een werkster, ‘Jans de schoonmaakster’. “Ze kwam elke zaterdag en moest precies alles doen wat moeder zei: de stoep schrobben en het binnenplaatsje; en de vloer van de winkel dweilen en het zeil in de opkamer wrijven, je kon duidelijk zien dat moeder de baas over d'r was. Maar dan ineens, dan zat ze met moeder een kopje koffie te drinken, met haar linker hand onder haar rechter elleboog, en dan leek het wel een tante die op visite was, behalve dan d'r kleren die waren armoedig. Dan maakte ze moeder aan 't lachen en moeder haar ook. Als de koffie op was, dan ging Jans weer aan 't werk, moeder was weer de baas.”

Op de bres voor getrouwde juffen
In de jaren ’30 dreef de rechtse regering door dat onderwijzeressen die trouwden hun baan kwijt raakte. Vanaf 1937 werden zelfs alle al getrouwde juffen ontslagen. Op een openbare protestvergadering tegen het wetsontwerp in juli1934 dreef Thijssen de spot met het eerste wetsontwerp: “ “Ten slotte sprak de heet Th.J. Thijssen, lid van de Tweede Kamer, die het ontwerp er eem uit vervlogen gewaanden tijd noemde, uit den tijd, waarin de vrouw niet mocht fietsen, zwemmen, alleen uitgaan of eigen vertering betalen. (Gelach.)” Het mocht niet baten

Theo Thijssen geldt als schoolvoorbeeld van de ‘rode schoolmeester’. Maar dat is te kort door de bocht. Hoewel zelf uit een ‘rood nest’, moest Thijssen toen hij in 1898 voor de klas kwam staan, niks hebben van de spraakmakende socialistische onderwijzers van toen: fanatieke scherpslijpers! Maar ook hij maakte zich kwaad over de sociale ellende die hij dagelijks zag. Dus werd ook Thijssen (toen de interne partijtwisten even waren uitgewoed) in 1909 lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Opstandig was hij steeds al, vooral tegen uiteenlopende pedagogische autoriteiten. Maar ook liep hij als jong onderwijzer al meteen aan tegen de ‘sociale quaestie’: de talenten van zijn beste leerlingen bleven onbenut, omdat ze arme ouders hadden of onverschillige onderwijzers. Gelijkwaardige ontwikkelingskansen voor arm en rijk: dát was voor Thijssen de kern van zijn socialisme. Daarvoor zette hij zich in als onderwijzer, journalist, vakbondsman en volksvertegenwoordiger.

CITAAT VAN DE MAAND

Ons Jong-Zijn

“Als wij met vuur redeneren over sommige zaken, als wij met zekeren vrijmoedigheid ideeën opwerpen; als we ons af en toe eens niet verbergen, dat we ons bestaan voelen, dan kan men ons dikwijls zoo koud-ontnuchterend toevoegen: ‘Weet je wel, hoe jong je nog bent?’ (…) Wij zijn de toekomstige maatschappij; van ons hangt de loop der wereldgebeurtenissen in de volgende halve eeuw voor het grootste deel af. En dat onze invloed pas begint in de jaren, die nog komen moeten, is dat een reden, om ons bestaan nu te ontkennen? Zijn de jaren, die komen minder gewichtig dan die zijn? Neen; ze zijn gewichtiger, want de wereld gaat vooruit...”

Hoofdredacteur Theo Thijssen (18) in Baknieuws, weekblad voor kweekschoolleerlingen, juni 1897 - 68 jaar vóór Provo..

 

Navigeer

Locatie

    • Eerste Leliedwarsstraat 16
    • 1015 TA Amsterdam
    • 020-4207119
    • Donderdag t/m zondag van 12.00 - 17.00

 

Nieuwsbrief

 

 

Familie Familie