U bevindt zich hier: Home Het Museum Nu in het museum 2020-2025

2020-2025

Lastpakken voor de klas

15 mei 2022 t/m 30 april 2023

 

Een goede leerkracht slikt niet alles voor zoete koek.
Theo Thijssen ontmaskerde graag “pedagogische kwakzalverij” en vocht voor zijn professionele autonomie. Maar hij kwam ermee weg: ontslagen of veroordeeld werd hij nooit.

Andere onderwijzers hadden meer pech: zij kwamen hard in botsing met Het Gezag. 
Omdat ze wilden meebeslissen. Omdat ze het schoolhoofd niet eerbiedig genoeg groetten.
Omdat ze als getrouwde vrouw tóch wilden blijven lesgeven. Omdat ze ongehuwd samenwoonden. Omdat ze “staatsgevaarlijk” werden geacht.
Omdat ze zich iets te duidelijk uitspraken voor ontwapening. Of omdat hun onderwijsideeën wat ál te buitenissig gevonden werden.

Een aantal van die lastpakken uit de eerste helft van de 20ste eeuw belichten we in deze  tentoonstelling en in de begeleidende brochure, voor € 4,- te koop in het museum.

 

Twee notoire lastpakken waren bijvoorbeeld de schoolmeesters Taeko Edelman en Maarten Barendregt.  Allebei werden ze in 1906 ontslagen wegens ‘wederspannigheid’ tegen hun schoolhoofden. De aanleidingen waren zoals zo vaak pietluttig. Edelman zou, voorbijfietsend, zijn chef op straat niet gegroet hebben. Barendregt hield zijn leerlingen in het speelkwartier binnen, wegens rotweer. Maar zijn hoofd vond dat alleen hij mocht bepalen wanneer het weer te slecht was. Dat wees meteen op het echte probleem: volgens de toenmalige Onderwijswet waren schoolhoofden bijna almachtig. Bij conflicten kregen zij bijna steeds gelijk van hogerhand; gewone onderwijzers waren vrijwel kansloos. Dat ondervond in 1913 ook de Groningse dorpsonderwijzer Geert Beishuizen, al tientallen jaren in het vak, die zich niet liet koeioneren door een piepjong ambitieus nieuw schoolhoofd. Die kleine tiran deed zijn beklag, tot groot genoegen van het rechtse gemeentebestuur, de wettelijke werkgever. Want Beishuizen trad in zijn vrije tijd voor de plattelandsbevolking op als een soort onbezoldigd regionaal ombudsman, tegenover de gemeente. Ondanks protest van de onderwijzersbond werden deze drie ontslagen onherroepelijk, maar alle drie slachtoffers vonden gelukkig een nieuw bestaan.  Edelman & Barendregt begonnen een succesvolle schoolboekhandel en gaven Theo Thijssen rebelse blad De Nieuwe School uit;  Beishuizen kreeg kort voor zijn pensioen nog een onderwijsbaan in het rode Zaandam.

Er waren óók leerkrachten die botsten met hun gemeentebestuur vanwege verschil van mening over hun privéleven. B&W van Amsterdam vonden bijvoorbeeld begin 20ste eeuw dat onderwijzers die trouwden zelf ontslag hoorden te nemen. De net getrouwde sociaaldemocraat Marie Lub-Kooiman was in 1911 de eerste die dat weigerde. Na felle nationale debatten gaf de gemeenteraad haar gelijk.  De anarchist Albert de Jong woonde ongehuwd samen; ook dat was volgens de gemeente reden tot ontslag. Hier haalde protest niets uit; De Jong vond een nieuwe baan als stenograaf.  
De communist Jan Ceton reisde in 1921 zonder voorafgaande toestemming naar Rusland om daar het revolutionaire nieuwe onderwijs te bestuderen. Ook hij kreeg de zak, maar werd later weer in genade aangenomen. En zo passeren nog meer eigenheimers de revue, die het met bazen aan de stok kregen, zoals Pieter Wink, Willem van Liefland en Fedde Schurer. Of die soms, zoals de jonge communiste Brecht van den Muijzenberg-Willemse, aanschopten tegen het ‘reformistische’ bestuur van haar eigen onderwijzersbond, inclusief de sarcastische ouwe rot Theo Thijssen.  

In de zijlijn wordt ook aandacht besteed aan een aantal soms ietwat zweverige onderwijshervormers, die aanschopten tegen de gevestigde pedagogie.  Zij begonnen vaak eigen schooltjes, de meeste in het Gooi. Te denken valt aan mensen als Johan Kleefstra, Jacob van Rees, Cor Bruijn, Lodewijk van Mierop, Felix Ortt, Mia Telders en Kees Boeke. Ook zij hanteerden overigens strenge regels voor hun personeel, dat soms geacht werd vegetari?r en geheelonthouder te zijn, en geen make-up te gebruiken…

Van repressie hadden deze hervormers niet zoveel last; wel van geldnood en bespotting. Dat laatste overigens óók van de kant van Theo Thijssen, die in 1910 schreef:

“Als mij tegenwoordig geestelijk voedsel wordt voorgezet, en ik hoor dat de kok woont in een plaats als Blaricum of Soest of Laren, dan ondervind ik een eigenaardig-weeë gewaarwording.”

CITAAT VAN DE MAAND

"Jarenlang heb ik het stilgehouden, de jongen uit het oliewinkeltje. () Zijn moeder was een ongetrouwde juffrouw, maar hij had een erg aardige oom, die dikwijlss avonds in het kamertje achterhet oliewinkeltje kwam zitten. En dan dronken ze een glaasje pons of zo, en hij, Ferdinand, kreeg ook een glaasje, met een beetje veel water er bij.  ()
Na een ruzieavond is de oom weggebleven, en toen kwam er een nette kommensaal, die aanspreker was. Het was in de influenzatijd* en de aanspreker verdiende grof geld.

 (De jongen uit het oliewinkeltjes, in: De Nieuwe School juli 1910, herdrukt de bundel Egeltje, 1929.) 

*Thijssen bedoelt waarschijnlijk de griepepidemie in de winter van 1889-1890.

Navigeer

Locatie

    • Eerste Leliedwarsstraat 16
    • 1015 TA Amsterdam
    • 020-4207119
    • Donderdag t/m zondag van 12.00 - 17.00

 

 

Familie Familie